In de jaren 1100 vormde de Ottogracht de noordelijke grens van het in snel tempo machtig wordende Gent. Daarbuiten strekte er zich een laaggelegen gebied uit midden tal van regelmatig overstromende Leiearmen. Ooit moet het er ongeveer uitgezien hebben zoals in de Bourgoyen nu. Aan één zijde van de zone die ons hier interesseert, werd er naar het noordoosten buiten de Steenpoort (dicht bij het huidige rond punt aan Sint-Jacobs) een damweg aangelegd die later de Steendam zou worden. Aan de andere zijde ontwikkelde er zich buiten de Grauwpoort een weg naar het noorden, die de Sleepstraat zou worden. Daar rond was de grond grotendeels onontgonnen en dergelijke gebieden hoorden bij definitie aan de Vlaamse graaf toe.

De inlijving in 1213 bij Gent van het grondgebied waarop de Waterwijk zou ontstaan, is een ongelooflijk cowboyverhaal, maar dan helemaal in Middeleeuwse stijl. Hoofdrolspelers waren niemand minder dan de paus van Rome, de Franse koning Filips-Augustus, de Engelse koning Jan Zonder Land en het Vlaamse gravenpaar Ferrand van Portugal en Johanna van Constantinopel. De Franse koning had in mei 1213 een machtig leger verzameld in Grevelingen om Engeland binnen te vallen, zogenaamd om de paus te helpen die zwaar in conflict lag met koning Jan. Maar dat liep grondig mis. De paus en Jan kwamen totaal onverwacht tot een overeenkomst. Er zat Filips niets anders op dan zijn matten te rollen. Maar voor hij naar Parijs zou terug keren, had hij nog een eitje te pellen met zijn niet al te beste vriend, de Vlaamse graaf, die de Engelse zijde gekozen had. In minder dan een week stond het Franse landleger voor Gent. Toen op 30 mei de Engelsen de Franse vloot in Damme in brand staken en het krijgsgetij even keerde, vaardigde het gravenpaar, dat alles op alles wou zetten, een charter uit waarbij de Gentse schepenen (de Stad dus) een hele strook grond buiten de poorten in eigendom kreeg, op voorwaarde dat ze de stad aan die zijde zouden versterken.

Veel kon dat niet baten want enkele dagen later namen de Fransen Gent al in. Maar, gegeven is gegeven, en toen de strijd verder ging, werd de Nieuwe Leie gegraven tussen de Krommewal en de Nieuwbrugkaai en werd de binnenzijde versterkt met muren en torens ter hoogte van de Nieuwbrugkaai en verderop naar het noorden toe met een aarden wal. De naam Oudevest herinnert daar nog aan. De loop van de Nieuwe Leie vormde toen de buitengrens van het in 1213 nieuw verworven gebied van de stad Gent. Ze omsloot een zone die aangeduid werd als “Over de Marct” (over de Vrijdagmarkt) of “Over de Gracht” samen met het aansluitende Nieuwpoortgebied aan de andere zijde van de Steendam. De naam Nieuwpoort bleef bestaan tot op heden, terwijl ‘Over de Gracht’ omstreeks 1500 veranderde in Waterwijk. Deze naam was tot in de jaren 1800 bekend, maar raakte in onbruik. Nu leeft hij weer op.

In de daaropvolgende jaren (vermoedelijk vooral tegen het einde van de dertiende eeuw) en in de eerste helft van de veertiende eeuw werden beide zones bijna volledig door de Stad verkaveld. De grond bleef echter stadseigendom: de grond werd in cijns gegeven. Mits een jaarlijks te betalen vast bedrag mocht men er op bouwen. De huiseigenaren waren dus niet in het bezit van de grond waarop hun huis gebouwd was. Vanaf 1325 bleven de notities van de namen van alle (!) opeenvolgende eigenaren van de huizen op de stadspercelen bewaard. Een uitzonderlijke situatie! Ze zijn te vinden in het stadsarchief en ze vormen de basis van onze kennis omtrent de huizen in de wijk.

Naar artikels verschenen in het tijdschrift: “Stadsarcheologie. Bodem en Monument in Gent”, jaargang 22 (1998) nr. 4, p. 23-40, jaargang 23 (1999) nr. 1, p. 14-41 en Ghendtsche Tydinghen jg. 32 (2003), p. 303-313.